De belangstelling voor muziek werd voor de jonge Ierse
singer-songwriter Jamie O’Reilly serieus toen hij op de middelbare school
auditie deed voor een musical, gebaseerd op de muziek van Elvis Presley. Het
inspireerde hem om zelf liedjes te gaan schrijven. Hij bezocht “The Rock School”
in Ballyfermot College of Further Education in Dublin. In het tweede leerjaar
mocht hij in Duitsland een bandkamp bezoeken. Daar werd zijn grote talent
opgemerkt en kreeg hij een studiebeurs aangeboden om te blijven en te studeren
in Mannheim aan de Popacademie. Hij verhuisde naar Duitsland en leerde daar
zijn bandleden kennen. Zelf omschrijft hij zijn muziek als dream folk en laat
zich vooral inspireren door artiesten als Ben Howard, Leonard Cohen, Fleet
Foxes en Father John Misty. Maar zijn smaak is eclectisch, want hij luistert bijvoorbeeld
ook graag naar Mumford & Sons, Elvis Presley, Larkin Poe, The Beatles,
Alice Merton en Edvard Grieg (Peer Gynt Suite en Pianoconcert). Na de afronding
van zijn studie behaalde hij zeer recent zijn diploma in mediaproductiebeheer
in Ierland. Maar voor de release van zijn debuutalbum is hij voorlopig teruggekeerd
naar Duitsland. Alle liedjes op Me and
Only Me werden gecomponeerd door Jamie op gitaar en daarna verder door de
gehele band uitgewerkt. Zijn teksten zijn poëtisch en suggestief. Hierover zei
Jamie onlangs in een interview “Mijn teksten zijn gebaseerd op mijn
persoonlijke gedachten en hoe ik me in een bepaald stadium van mijn leven zou
hebben gevoeld. Ik schrijf eerst gedichten en daarna zet ik er muziek op.”.
Zijn stem is fragiel en rustgevend en zal hierdoor veel luisteraars gaan
aanspreken. Begin dit jaar verraste de jonge Ierse songschrijver David Keenan
mij al aangenaam met zijn debuutalbum A
Beginner’s Guide to Bravery. Op de valreep van dit jaar kan daar Me and Only Met, met dank aan mijn
tipgever Marten Fokkens, aan toegevoegd worden.
Haar vorige album Geminiwas het meest ambitieuze en fraaiste uit het oeuvre van de Canadese
blueszangeres Layla Zoe. Op de eerste cd stonden akoestische songs en op de
tweede elektrische. Het is een indrukwekkende staalkaart van deze veelzijdige
zangeres. Layla schreef de liedjes samen met de Duitse gitarist Jan Laacks.
Voor haar intussen vijftiende album Nowhere
Left to Go sloeg Layla echter de handen ineen met verschillende
componisten. Met de talentrijke Amerikaanse singer-songwriter Jackie Venson
schreef ze opener Pray, een gospel
song. Maar ook aan het inmiddels vrijgegeven titelnummer schreef Venson mee en
speelt er tevens gitaar op. Het is opgedragen aan de slachtoffers van de
natuurbranden in Australië een jaar geleden. De meest opvallende coauteur is voor
mij de Nederlandse bluesgitarist Guy Smeets. Begin twintig, maar reeds een
schat aan ervaring. Op zijn negende deelde Smeets al het podium met Guy Forsyth en
op zijn zestiende had hij al een eigen band. Smeets speelt rhythm gitaar op het
album en lead gitaar op de door hem meegeschreven songs Little Boy en Might Need to
Fly. Eerstgenoemde behoort tot mijn favorieten, door het flitsende
gitaarspel van Smeets dat werkelijk de boxen uit knalt. Ongeveer net zo fraai
is Might Need to Flywaarin Layla af en toe kopstem gebruikt. Het
is weer een uitermate gevarieerd album geworden. Van gospel, blues, rock, folk
tot zelfs jazz (in Lies). Het album
is reeds te koop op haar website en vanaf de releasedatum ook regulier. Met Nowhere Left to Go voegt de al jaren in
Nederland woonachtige Layla opnieuw een ijzersterk album aan haar oeuvre toe.
Ook in 2020 kende de creativiteit en productiviteit van
Ralph de Jongh geen grenzen. Zo bracht hij bijvoorbeeld weer een vierluik uit,
getiteld The Whole World Inside. Daarnaast
onder andere het meer dan uitstekende Let
It Be Good For All. Hierop was geregeld een opvallende rol weggelegd
voor de lapsteel van Tim Birkenholz, vooral in het wonderschone Seed the Seeds. Op On the Blue Line speelt deze lapsteel een nog een prominentere rol.
De meer ingetogen kant van Ralph komt in de songs volledig tot zijn recht. Deze
keer dus geen uptempo Stones achtige rockers. Toch weet Ralph moeiteloos de aandacht
van de luisteraar meer dan zeventig minuten vast te houden. Ralph heeft met
Birkenholz net zo’n grote muzikale klik als met violiste Ewa Pepper. Deze onderlinge
samenwerking leverde ook de uitstekende, samen geschreven afsluiter Shadow op. Tot de hoogtepunten reken ik
de titelsong, welke behoort tot de fraaiste songs die Ralph ooit schreef. Het
fraaie gitaarspel wordt omkaderd door gevoelige zang en achtergrondzang van
YLVALIE, Birkenholz en Leon van Etten. Net zo fraai zijn Clenching My Teeth en It Was
on the Earth #2. Let It Be Good For All rekende ik al tot
een van zijn drie fraaiste albums in zijn oeuvre, On The Blue Line bevalt me zelfs nog beter. Let It
Be Good For All is trouwens tijdelijk voor slechts 4,99 te koop in zijn
website! Ralph maakt trouwens ook deel uit van de groep Cosmic Walhalla, welke
precies om twaalf uur het nieuwe jaar in zal luiden met hun tweede single Black and White Birds.
Drie jaar geleden was ik uitermate enthousiast over Shiny
Silvery Things van de begenadigde singer-songwriter Cormac O Caoimh uit
het Ierse Cork. Dit voorjaar stuurde Cormac me zijn vijfde album Swim Crawl Walk Run op. Door bepaalde omstandigheden
kwam het er toen niet van om een recensie te schrijven. Over de songs op de vorige
cd maakte ik nog een duidelijke associatie met de muziek van Prefab Sprout,
maar die invloeden zijn nu volledig verdwenen. Zelf noemde Cormac in het
verleden The Go-Betweens en Elliott Smith als referenties. In zijn vrije tijd boetseert hij op ingenieuze wijze
unieke songs in elkaar. Belangrijke hulp bij het verder uitwerken ervan krijgt
hij van producer Martin Leahy, die tevens meer dan een dozijn instrumenten voor
zijn rekening neemt. Met zijn Gaelic naam zou men misschien verwachten dat er de
nodige traditionele invloeden in zijn muziek zouden doorklinken. Cormac’s songs
bevatten echter voornamelijk invloeden uit de pophoek en in minder mate uit andere
genres. Zelf omschrijft hij zijn muziek kernachtig als “indie poppy jazzy folk”.
Op het nieuwe album hebben zijn songs een volledig eigen signatuur gekregen.
Prachtige ingetogen songs worden afgewisseld door songs met refreinen, die onmiddellijk
in het onderbewustzijn blijven hangen. Tekstueel gezien worden ook deze keer clichés
volledig vermeden. Een van mijn favorieten is When My Kids Grow Too Old to Hold Hands, waar de familieman O
Caoimh zich tot ons richt. Over familie gesproken, de fraaie tweede stem is
afkomstig van vrouwlief Aoife. Vooral in Pocketful
of Doodling is haar stem een belangrijke toevoeging. Een waardige afsluiter
van Swim Crawl Walk Run vormt Building My Ark, mede door de accordeon
van Pat Crowley, een van de beste muzikanten uit Ierland. Crowley was lange
tijd de rechterhand van Mary Black, live haar belangrijkste steunpilaar, wat ik
zo’n twee decennia geleden zelf constateerde in een bomvol Chassé theater. Op
zijn Bandcamppagina noemt hij het album “by far his best”. Ook ik kom tot diezelfde
conclusie.
Begin dit jaar verscheen al het uitstekende The
Unraveling, dat bol stond van geëngageerde songs, waarbij onder andere
het rampzalige beleid van Trump een veeg uit de pan kreeg. De planning was om
erna uitvoerig te gaan toeren, maar helaas gooide Corona roet in het eten. De
noodgedwongen vrije tijd was met name voor frontman Patterson Hood een doorn in
het oog. Hij verveelde zich al spoedig stierlijk, simpelweg omdat hij geen
hobby’s heeft en volledig voor zijn muziek leeft. Vandaar dat al snel het idee
ontstond om dit jaar nog een album uit te brengen. Men had nog een aantal
uitstekende songs liggen van de sessies die plaatsvonden in de legendarische
Sam Philips Studio in Memphis. The
Unraveling, Sea Island Lonely en Tough to Let Go behoren hierrtoe. Op de
laatste twee nummers zijn heerlijke blazers te horen. De andere songs werden
alsnog in enkele andere studio’s opgenomen. De meeste songs zijn van de hand
van Hood. De oudste song, The Distance,
werd reeds geschreven in 2011. Uiteraard ook op dit album veelvuldig politieke
thema’s. Watching the Orange Clouds,
schreef hij meteen na de dood George Floyd’s dood. Zijn favoriete track van de
sessies in Memphis is Sea Island Lonely
wat hij schreef achter in de auto op weg naar het vliegveld. Een fictief thema
heeft Tough to Let Go, wat ontstond naar
aanleiding van een droom. Het album sluit af met een ode aan The Ramones, van
wie men de klassieker The KKK Took My
Baby Away vertolkt. The New Ok is
overigens al sinds begin oktober te beluisteren op de bekende
streamingsdiensten. Gelukkig is het nu ook in Nederland fysiek te koop. Nog
steeds gaat mijn persoonlijke voorkeur hiernaar uit, het tekstboekje met achtergrondinformatie
heeft voor mij een duidelijke meerwaarde. Het voorwoord beëindigt Hood positief
met de opmerking “See you at The Rock Show”. Hopelijk krijgt hij snel gelijk.
Theo Volk
Fysieke Nederlandse releasedatum : 18 december 2020 ATO
Records/PIAS
Eerder dit jaar verscheen al het bijzonder fraaie album Bluebeard van het Yuri Honing Acoustic
Quartet. Op de valreep van dit jaar wordt door de helft van dit kwartet ook nog
eens het wonderschone Avalon Songs
uitgebracht. Erik Voermans van Het Parool omschreef onlangs in zijn recensie het
album al als “muziek zo mooi dat het pijn doet”. Werd voor Bluebeard inspiratie gezocht bij het drie eeuwenoude Franse
sprookje nu is dat het onbereikbare, mythische eiland Avalon. Het onderwerp duikt
trouwens al eeuwen op in de literatuur, tot zelfs in de popmuziek aan toe (Avalon van Roxy Music). Avalon
Songs is een prachtige collectie verstilde composities zonder een
overtollige noot geworden. Brederode speelt naast piano ook op een rhodes, wat
bijdraagt tot een nog meer dromerige sfeer. Honing componeerde Avalon, Under Milkwood en Goldbrun.
Laatstgenoemde compositie kenden we al van het gelijknamige album uit 2017. Collega Bredero leverde Ebb aan. Wenn ich mir
wünschen dürfte is een instrumentale interpretatie van een compositie van
Friedrich Hollaender, ooit beroemd geworden door Marlene Dietrich. Men waagt
zich zelfs op voortreffelijke wijze aan de folk song Black is the Colour. De fluwelen embouchure van Honing is zoals
altijd een genot voor de oren. Deze man
werd niet voor niets al diverse malen beloond met een Edison voor zijn werk.
Het zou me totaal niet verbazen als dat met Avalon
Songs wederom gaat gebeuren. Ook nu weer zijn de geluidsopnames van
superieure kwaliteit. Het album werd slechts in een dag van de zomer in de
vermaarde Wisseloord Studio’s opgenomen. Voor snelle beslissers tot aanschaf
van de cd krijgen op het moment een Kerstkorting van dertig procent, ook op
eerdere cd’s van hem.
Tot mijn schande had ik tot op heden nog geen stukje
geschreven over het fantastische In and
Out of theLight. En dat ondanks
het feit dat ik het intussen grijsgedraaid heb. De fans moesten overigens vijf
jaar wachten op het achtste album van Peter Milton Walsh. Vorig jaar werd het
wachten verzacht door het fraaie live, in Frankrijk opgenomen album Live at L’Ubu. Het voorgaande
studioalbum No
Song, No Spell, No Madrigal was overigens een zware bevalling gebleken.
Maar liefst achttien jaar broedde hij op dit indrukwekkende en indringende
album. Het centrale thema vormde het grote verdriet over zijn op zeer jeugdige
overleden zoontje. Zelfs nu nog komen liedjes als Black Ribbons, Twenty One
en Swap Places even hard bij mij
binnen als vijf jaar terug. In een recent vierdelig interview, wat eventueel hier
terug te lezen is, las ik dat hij op voorhand precies in detail wist hoe dat
album zou worden. De werkwijze werd nu door de COVID perikelen heel anders. Op
drie verschillende locaties vonden de opnames plaats. Peter omschreef de
werkwijze als “The songs took shape impressionistically across the recording
days, with details of melodies, fragments of lyrics and hooks determining the
form—a departure from the band’s usual way of the songs being built up from a
bedrock of bass and drums.”. Tekstueel is Peter nog steeds geen lachebekje. De
instrumentatie van de songs weten me nog meer te beklijven dan op de voorganger.
Ik kan me dan ook volledig vinden in de aanprijzing van het album op Bandcamp als
“ With exquisite instrumentation, gorgeous harmonies and Peter Milton Walsh’s
impressionistic storytelling, The Apartments have an album to get lost in—for a
day, for a week, for a lifetime.”. Waarbij ik de optie “for a lifetime” kies.
Voor mij is In and Out of the Light
zijn allermooiste in zijn prachtige oeuvre.
De zingende drummer Aaron Frazer van Durand Jones & The
Indications vond het tijd worden om een soloalbum uit te brengen. In amper een
week nam hij Introducing… op, met
Dan Auerbach als producer. De ene helft van de nummers schreven ze samen, de
andere helft werden ze iedere keer geholpen door een coauteur. Daarnaast
arrangeerden ze samen alle nummers. De songs worden gezongen met de kenmerkende
falsetto van Frazer, waarin je vooral invloeden hoort van Curtis Mayfield en
Smokey Robinson. Muzikaal gezien grijpt men vooral terug naar soulinvloeden uit
een grijs verleden. Men past soms ook de fade-out toe, wat vroeger vaak
gebruikt werd. Maar er zijn ook moderne invloeden te horen. Ritmisch gezien
maakt men af en toe gebruik van hiphopinvloeden.Tekstueel gezien is de liefde regelmatig het
onderwerp, maar ook maatschappijkritische thema’s worden niet geschuwd. Zo
maakt Frazer in Bad News zich grote
zorgen over hoe de mensheid omgaat met het milieu. Een thema waarover Marvin
Gaye al zong in 1971 op zijn soulklassieker What’s
Going On. Niet alleen in woorden is hij geëngageerd, maar ook in daden. Hij
steunt Sol Nation’s Good News Bad News campaign, een organisatie, die
oplossingen aandraagt en toepast voor milieuverbetering. Daarnaast steunt hij ook
een campagne, die zich inzet voor de zwakkeren in onze samenleving. Naast Dan
Auerbach op gitaar zijn een groot aantal door de wol geverfde muzikanten te
horen op het album, zoals bijvoorbeeld leden van The Memphis Boys. De kwaliteit
van de songs hebben overigens duidelijk niet geleden onder het snelle
ontstaansproces. In tegendeel, Introducing…
wist mij snel te overtuigen en zal zeker bij liefhebbers van Curtis Mayfield in
de smaak gaan vallen.